De
Iepenfamillie, Ulmaceae.
Waaronder de Zelkova en Celtis, deze drie zijn ideaal voor
Bonsai.

Ulmus procera
 
Ulmus
hollandica
Ulmus
parviflora
Voor ons Bonsaiisten
is er niets aan de hand maar in de natuur, straten en parken hangt er wel een heel donkere wolk boven de iepen.
Niemand kan zonder emotie schrijven over deze indrukwekkende bomenfamilie, die met uitsterven bedreigd wordt. In
vele landstreken bepaalde vroeger de iep het landschap. Of het nu de Amerikaanse iep is, met zijn grote,
schermvormige kroon, de Engelse veldiep met zijn zware stam en kroon die als een waaier hoog boven de velde
torst, of de gladde Iep met brede kroon en min of meer hangende takken, de iep bepaalt het karakter van het
platteland. De bladeren zijn eivormig en omgekeerd
eirond. Ze zijn toegespitst en hebben een erg scheve bladvoet. De bladrand is dubbelgetand.
In ons vlakke land
nam de “Ulmus hollandica” de plaats in van de heuvels.
De iepziekte wordt
veroorzaakt door een schimmel (Ophiostoma ulmi)(syn. Ceratocystis ulmi) en
Ophiostoma novo ulmi. Ophiostoma
novo-ulmi is pas in de jaren
zeventig voor het eerst waargenomen en tast ook de tegen Ophiostoma
ulmi resistente rassen 'Commelin' en 'Groeneveld' aan, die weer wordt overgebracht door een kever. Deze
schimmel groeit in het hout van de nieuwste jaarringen, dus vlak onder de bast. En juist hierin vind de voornaamste
sapstroom plaats. Als die sapkanalen geblokkeerd worden, sterft de tak en spoedig daarop de hele boom. Zelfs 200
jaar oude bomen kunnen in een seizoen afsterven. Omdat de ziekte het jongste hout aantast kan er weinig aan gedaan
worden om de boom te beschermen. De enige manier zou zijn, de kevers met vergif te bestrijden en de sapstroom
injecteren met een fungicide/schimmel dodend middel. Dit is geprobeerd maar dit is een te kostbare operatie, die
jaarlijks herhaald moet worden en niet afdoende bleek te zijn. Voor grote Iepen beplantingen, van onze voormalige
weg en dijkbeplantingen was dit onmogelijk. We kunnen slechts hopen dat ooit de weg- en dijkbermen weer beplant
worden met resistente rassen, waarvan er na vele jaren van onderzoek al enkele bestaan.
Er zijn ongeveer 45
iep soorten. De internationale rassenlijst geeft meer dan 200 verschillende klonen aan. Vijf soorten zijn voor
Bonsai in elk geval van belang en ook nog een aantal cultivars.
Welke iep men als
karakteristiek wil beschouwen, is afhankelijk van de streek waar men opgegroeid is. In het hart van de
Iepenstreek, Zuidoost- Engeland, is het belangrijkst de veldiep (Ulmus
procera). Deze handhaaft zich, doordat hij uitsluitend ongeslachtelijk vermeerderd wordt. Bij ons is de
veldiep (Ulmus procera) bijna verdwenen door de iepziekte maar als
“Bonsai” loopt de iep nauwelijks gevaar voor deze ziekte. Vandaar dat hij veelvuldig gekweekt wordt door de
bonsai liefhebber. In de natuur heeft de deze iep een hoge afgeronde habitus en dat is makkelijk te realiseren
in Bonsai. En wie in het begin van de zomer nog eens bladsnoei toepast zal er snel in slagen het blad aangepast
te krijgen tot de verhouding van de boom, bladsnoei is niet noodzakelijk de iep maakt vrij snel uit zich zelf
kleine blaadjes als hij in een schaal geplant wordt. Alle veldiepen hebben korte, horizontale of een beetje
hangende takken aan het onderste deel van de stam, daarboven vaak een bescheiden taille, ongeveer halverwege, en
in het bovenste deel van de boom een bijna symmetrische, halfgeopende waaier van lange takken. De boom heeft
veel donkergroen, smalbladig loof.
 
De bladeren blijven vrij lang groen, soms zelfs tot in november. Deze
verkleuren dan naar goudkleurig-geel wat dan mooi samengaat met de grijsbruine, wat gegroefde schors van de stam
en zo fraai uitkomt in de najaarszon, dat het onmogelijk te beschrijven is hoe mooi dit is. Een wrede ironie
wil, dat deze verkleuring vaak te vroeg komt en de dood van de boom aankondigt.(de iepziekte)
De veldiep (Ulmus procera) een ideale boom om Bonsai van te maken.
Geschikt voor veel
stijlen.
Heeft veel licht en
zon nodig.
Jonge bomen
beschermen tegen felle oostenwind en vorst.
Heeft vrij veel water
nodig in de zomer (heeft veel loof)
Gebruikt vrij veel
voeding.
Jaarlijks in het
voorjaar verpotten, bomen ouder dan 10 jaar, indien nodig, gebruik het goed doorlatende basis
grondmengsel.
Snoei jonge scheuten
na uitlopen van 6 tot 7 blaadjes terug naar 1 of 2 blaadjes of naar behoefte passend in de vorm van de boom.
Vermeerderen door wortelopslag is het snelst en men vindt al gauw een wat dikker exemplaar.

Het kernhout is bleek
tot donkerbruin tot roodachtig bruin en aan de lucht blootgesteld donkerder wordend.
Iepenhout werd
vroeger altijd gebruikt voor doodskisten. Er bestaat een spits oud Engels rijmpje dat verband legt tussen
iepenhouten kisten en de beruchte eigenschap van de iep, dat zonder enige waarschuwing op een stille zomerse dag
een zware tak kan afbreken.
In een boek over
bomen komt deze waarschuwing nogal eens voor en raadt men aan om geen iepen te planten waar er mensen onder
zouden kunnen zitten of lopen. Maar waar zouden we ze dan moeten zetten.?
De iep vindt men bij
ons voornamelijk vrijstaand in parken en straten, soms ook nog wel in hoge hagen. Voor zo ver bekend staat in
Saling (Engeland) de grootste gladde iep (Ulmus carpinofolia) ter
wereld.
Hij is jammer genoeg
niet meer zo geweldig mooi als vroeger ( 36 m hoog in 1841), maar hij is nog steeds 7½ meter in omtrek en dat is
heel veel voor een iep. Ondanks zijn ouderdom en mindere groeiomstandigheden is deze gigantische Iep toch nog 1½
meter in omvang toegenomen na 1840. Waarschijnlijk geplant tussen 1600 en 1650.
Oppervlakkig
beschouwt lijken de gladde iep (Ulmus carpinofolia) en de ruwe of
bergiep (Ulmus glabra) sterk op elkaar. Beide vertakken ze laag aan
de stam en verbreden zich, net als de Amerikaanse iep, geweldig waarbij de twijgen aan het uiteinde van de kroon
sterk vertakt (ideaal dus voor bonsai) en als een waterval omlaag hangen. Ze zijn ‘s-winters op zijn mooist als
hun vertakkingen tegen de helder blauwe lucht afsteken.
Als u een heel blad
kunt bemachtigen, kunt u het antwoord krijgen op de vraag tot welke soort de boom behoort, het blad van de
gladde iep (Ulmus carpinofolia) is glad en glimmend; daar tegenover,
het blad van de ruwe iep (Ulmus glabra) is zo ruw als een rasp. De
veldiep (Ulmus procera) voelt meer schuurpapierachtig aan. U kunt
ook de iep makkelijk herkennen door de scheve bladvoet bij de bladaanzet.

Van de bloemen van de
iep denkt men vaak, dat ze van de grond af niet zichtbaar zijn en dus niet waard om op te letten. De iep draagt
vroeg in het voorjaar veel bundels van kleine roodachtige bloemen,

Die te voorschijn komen uit een knop, zodat als de zon hem beschijnt de kale
boom in een rode waas gehuld lijkt te zijn. Nog voor het blad verschijnt, ontstaan de gevleugelde
zaadjes:

Jonge, gevleugelde
vruchtjes met
in het midden het ovale zaadje.
Kleine schildjes met een vorm als een gebakken ei, die de boom groen doet
kleuren: ze kleuren bruin als ze rijp zijn en dwarrelen op grond als het blad verschijnt. Het straatbeeld kan
helemaal bruin verkleuren door de vallende zaadjes.(voor zover er nog straten zijn met iepen) Ze kiemen onder
gunstige omstandigheden vrijwel direct. Tussen de bloem en het kiemen tot een nieuwe plant ligt maar een week of
acht.
Vaak kan men in het
najaar dat aan de knoppen al zien,

Smalle
eivormige spitstoelopende Bolvormige
bloemknop met daaronder
eindknop,bladknop.
bladmerk
met drie sporen.
welke volgend jaar blad en welke bloemen zullen produceren. De bloemknoppen,
die een eindje van de top van de twijgen zitten, zijn tweemaal zo groot als de bladknoppen. Als men de bloemknop
opent, blijkt dat de bloem al aangelegd is voor het volgende voorjaar.
Onze Hollandse iep
(Ulmus holandica) is een kloon van de vele kruisingen tussen de
gladde en de ruwe iep, namelijk (Ulmus holandica) x (Ulmus belgica)

Detail
uit de boom hiernaast
Deze vormt al vrij
jong een mooie bast, dit exemplaar is ongeveer 20 jaar en altijd in schaal opgekweekt. Gekweekt van wortel
opslag.
Bij ons komt deze
voor in de buurt van de zeekust, daar waar de genoemde kever door de zeewind onmogelijk kan leven. In Italië
werden vroeger de iepen gebruikt als steun voor de wilde wijnrank, welke rol ze sinds de dagen van Vergilius
vervuld hebben. Enkele geselecteerde klonen zijn minder vatbaar voor de iepziekte gebleken. Twee nakomelingen
van de Hollandse iep (Ulmus hollandica), namelijk “Christine
Buisman” en “Bea Schwarz”, werden aanvankelijk geacht redding te brengen, maar beide zijn toch niet helemaal
bestand gebleken tegen de iepziekte.
Een fraaie iep is
“Ulmus sarniënsis”. Deze hybride met zijn smalle kroon van lange,
opgaande twijgen is geschikt voor brede straten en tuinen.
De echte treurvormen
van iepen die men af en toe op de grote gazons aantreft, zijn cultivars van de ruwe of de gladde iep, de lagere
en rondere prieëliep,”Ulmus camperdownii”, en de grotere en hoekiger
treuriep “Ulmus pendula”.
En dan kennen we nog
de fladderiep of steeliep (Ulmus laevis) met zijn extreem schuine
blad aanzet.

De in Amerika
groeiende iepen zijn weinig aangeplant in Europa. De rode iep, (Ulmus
rubra), met zijn ruwe, aan de onderzijde fluwelige bladeren en de steen iep (Ulmus tomasii) van de grote meren, met zijn korte takken ziet men bij ons
zelden, evenals de in Amerika wijdverspreide Amerikaanse iep, (Ulmus
americana).

Iep in het
voorjaar
Er zijn ook iepen in
Oost- Azië. De Chinese iep, (Ulmus parvifolia), deze soort is
inheems in China, Japan, Korea en Taiwan. Hoewel ogenschijnlijk helemaal niet op een iep gelijkend. Maar
waarschijnlijk wel de meest gebruikte iepen soort voor Bonsai. U kent ze wel deze Chinese import

Waar hele mooie
boompjes van gemaakt kunnen worden. Vaak met wat te veel beweging in de stam maar met enig zoeken zijn er hele
mooie exemplaren te vinden en om te vormen tot een mooi boompje.
 
(Ulmus parviflora).
Een geweldige dubbelstam van de Chinese
iep,
Voor in de tuin ook zeer geschikt, omdat hij vrij klein blijft. Alles is
betrekkelijk klein, vooral zijn donkergroene glimmende blaadjes.

Hij verkleurt laat in
de herfst tot bruinrood. In koude streken vervangt de soortgelijke en snel groeiende, maar de niet minder aantrekkelijk Siberische iep, (Ulmus pimula) hem. Geen van beiden leidt aan iepziekte, maar ze lijken ook
geen van beide op iepen.
Delen van China waar
het warmer is blijft de chinese iep, (Ulmus parvifolia) het hele
jaar groen.
Daarom een van de
weinige soorten om als Bonsai binnenshuis te houden, mits men denkt aan goede vrij hoge luchtvochtigheid, te
verkrijgen door er een schotel met water onder te zetten en regelmatig het boompje te broezen.
De chinese
iep, (Ulmus parvifolia):
-
Geschikt voor bijna alle
stijlen
-
Veel licht en zon
-
Vrijveel water, in de winter spaarzaam maar
laat hem nooit uitdrogen
-
Goed voeden.
-
Jaarlijks verpotten, bomen ouder dan 10 jaar
naar behoefte
-
Snoei de jonge scheuten na het uitlopen van 6
tot 8 bladparen terug tot 1 a 2 bladparen.
-
Zeer geschikt voor wortel over rots
begroeiing door zijn lange vlezige wortels is hij dan meer gevoelig voor vorst.

Zelkova:
De botanische naam Zelkova is afkomstig van de Kaukasische naam voor Zelkova carpinifolia, zoals
in de Georgische naam
ძელქვა(dzelkva).

Een zeldzaam mooi
exemplaar van de Zelkova carpinofolia (Kaukasis)

De Japanse Zelkova
(Zelkova serrata) 38 cm, is
een Aziatische boom uit de iepenfamillie. Zeer
winterhard. Het geslacht bestaat uit zes soorten die het beste gedijt in laaggelegen delen met vochtige
vruchtbare grond. Het verspreidingsgebied is, Japan, China en Korea. In Japan komt deze boom voor
op de eilanden Kyushu en Honshu en groeit deze boom
tot 1220 meter boven het zeeniveau. Veel oude Japanse tempels zijn van iepenhout gemaakt.
De schors is glad en lichtgrijs-bruin van kleur welke bij oudere bomen afschilfert/bladdert waardoor grijs-beige
plekken zichtbaar worden.
 
De bladeren zijn eirond en 12 cm lang en 5 cm breed met aan beide zijden zes
tot dertien scherpe tanden.

Dit is een bladtakje
van een “Zelkova Bonsai” boompje.
De Zelkova maakt een
zeer fijne vertakking met zeer dunnen twijgjes, zo dun dat je zou denken overleven ze de winter
wel.

In het voorjaar
draagt de boom groene mannelijke en vrouwelijke bloemen. Worden door wind bestoven. De vrucht is 5 mm groot. De
boom kan tot 40 meter hoog worden en is bladverliezend.
De Zelkova sicula is meer een grote struik en de Zelkova carpinifolia kan 35 meter hoog worden
Het blad is afwisselend geplaatst, kort
gesteeld en gezaagd. De bladvoet is in tegenstelling tot de iepen symmetrisch van vorm. De bomen
zijn eenhuizig (De bloemen op de plant
kunnen eenslachtig/eenhuizig zijn dus of mannelijk of vrouwelijk, maar komen allebei op dezelfde plant voor,
zoals bij de els, hazelaar en de okkernoot en bloeien in de bladoksels). De vrouwelijke bloemen zitten bovenaan de eenjarige
scheuten en de mannelijke aan de onderzijde. De vruchten zijn ongevleugelde, kort gesteelde, asymmetrische
steenvruchten.
Het hout is ringporig.
(ringporig hout wordt in het begin van het
groeiseizoen (voorjaar) gevormd met een ring met veel grote vaten, terwijl later in het seizoen
(zomer) het gevormde hout minder en kleinere vaten verspreid voorkomen).Het hout wordt voor dezelfde doeleinden
gebruikt als iepenhout
Behandelen zoals de Iepen maar met wat meer humus in de grond.
Celtis, Netelboom of Zwepenboom
Het
woord Celtis komt uit het Grieks, voor een boom met zoete
vruchten, afgeleid van het Griekse woord Celthis, een soort lotus met zoete vruchten. Celtis australis.
Australis betekent niet dat de boom in Australië inheems is,
maar zuidelijk. Occidentalis betekent westers. Waarschijnlijk
heeft hij de naam “Netelboom” gekregen omdat de bladeren op die van brandnetel, dove
netel lijken.
De
naam “Zwepenboom”
heeft te maken met het feit dat er vroeger van de takken zwepen gemaakt werden.
De
Dakota-Indianen noemen deze boom Yammumnugapi en dat betekent
verkruimelen, omdat vogels het pitten met hun snavels fijn hakken.
De “Celtis cinensis”
is een boom met een onregelmatig groeiende kroonvorm. Hij is inheems in midden en het oostelijk deel van
Amerika. De Celtis familie omvat ca. 75 geslachten. Sommige oude exemplaren zijn 20 tot 30 m hoog. Er zijn vaak
meerstammige bomen te vinden met sterk afhangende twijgen. De oudere stam is grillig en heeft veel inkepingen.
Het blad is langwerpig rond, toegespitst en glanzend groen.
 
Het voelt ruw aan. In het najaar verkleuren de bladeren prachtig naar goudgeel.
De bladranden zijn scherp gezaagd. De bloei stelt niet veel voor.
 
De kleine
steenvruchten worden van groen naar purperzwart. Ze kunnen tijdens de winter aan de boom blijven hangen. De
schors is grijsbruin met onregelmatige kurklijsten. Het bleekgele, elastische hout van de netelboom is waardevol
en wordt gebruikt voor de vervaardiging van, kisten, pallets, boerengereedschap, sportgereedschappen,
muziekinstrumenten, draaiwerk en fineer. Hij speelt ook een rol bij de houtskoolbereiding. De bast levert een
gele verfstof. En als u de pitten fijn maalt zijn ze geschikt om in gebak verwerkt te worden. Het hout van de
netelboom (Celtis occidentalis)
wordt in Amerika verhandeld als ‘beaverwood’. De netelboom (Celtis occidentalis) door
zijn brede schermvormige kroon, de schaduwboom bij uitstek. Hij valt op door zijn sierlijk overhangende takken
en bij ons in Nederland en België is hij wel als parkboom aangeplant. Hij is redelijk winterhard. Het is een
boom die we in submediterrane en mediterrane bossen vinden, want hij is warmteminnend. Groeit op droge en
rotsige hellingen. Hij kan tot 600 jaar oud worden.
Heel goed als Bonsai
maakt snel kleine blaadjes en een zeer fijne vertakking.
Behandelen als de Iep maar iets meer
vorstgevoelig.
Watergift iets minder dan de
Iepen.
Tot slot nog even dit:
De iepen vormen een
homogene groep, zelfs in meerdere mate dan de eiken. Er bestaan geen groenblijvende iepen behalve dan de Chinese
iep (Ulmus parvifolia) die in sommige warmere delen van China wel
groen blijft met zijn sterk afwijkende kleine blaadjes. De schitterende “Zelkova” is duidelijk een iepachtige
plant. En de Celtis heeft ook duidelijke familietrekken.
Weinig bomen worden
zo goed beoordeeld als de Zelkova. Hij heeft bloemen nog vruchten van betekenis, zijn bladeren lijken op die van
de iep (alleen enkelvoudig gezaagd, terwijl iepeblad meestal dubbelgezaagd is). Zijn faam dankt hij uitsluitend
aan zijn voorkomen.
Het is een dankbare,
goed geproportioneerde boom met een korte stam, en een sterk vertakte koepelvormige kroon. Beide soorten Zelkova
beantwoorden aan deze beschrijving. De langere bladtoppen, de scherpere tanden, de talrijke nerven en het
enigszins lederachtige bladoppervlak samen met het feit dat ze meer omlaag hangen, stellen ons in staat het blad
van de Japanse Zelkova, (Zelkova serrata), te onderscheiden van de
meer bekende kaukasische soort (Zelkova carpinifolia). Vaak
ontspringen de eerste takken al 1½ meter boven de grond.
Celtis verschilt van
Ulmus door zijn bessen en het handnervig blad. De Celtis is klein van afmeting. Hij wordt zelden hoger dan 15
meter, krijgt een struikachtige brede top, groen als een iep, zodat hij geschikt is voor straten en kleine
tuinen. Een voordeel van de Celtis is, dat hij diep wortelt. Als de diepere wortels hun dieptegrens bereikt
hebben, zijn ze ongevoelig voor droogte.
Het markantste van de
“Celtis occidentalis”, die stamt uit het oosten van Noord-Amerika
maar het bijna overal doet, is zijn zeer originele schors. Kurkvorming komt in de hele familie voor
(verscheidene iepen hebben een kurkachtige schors op hun twijgen), maar de Celtis heeft een eigen variant. Op
wat oudere leeftijd heeft de boom dikke kurklijsten over een groot deel van de stam, die grillig verlopen. Als
boom voor parken is de Celtis weinig geliefd, doordat zich in de kroon nogal eens heksenbezems (vergroeiingen) vormen, waar de opeengehoopte takken gemakkelijk
af breken en daardoor rommel veroorzaken. Toch zou dit niemand ervan moeten weerhouden deze goede en
ongebruikelijke boom in zijn tuin aan te planten.
Soms wordt de
“Celtis laevigata”, uit het Mississippi gebied, met voornamelijk
ongetande bladeren, de “Celtis cinensis”, met glanzende heldergroene
bladeren, of de Zuid-Europese, (Celtis australis) aangeplant.
Eucommia is een
Chinees geslacht, dat twijfel oproept over de verwantschap met de iepen of Moerbeifamilie. De Eucommia ziet er
uit als een kleine iep, maar heeft rubber in zijn aderen. Als men een blad in tweeën scheurt houden de dunnen
witte draden de twee helften bijeen. Hij is de enige winterharde boom die rubber bevat.
De Celtis is een
bladverliezende boom. Zeer mooie takken/twijgen structuur en zijn habitus is sterk verwant aan de
Zelkova.
Wordt buiten Ned. veel als Bonsai gebruikt.
In de volle zon zetten gedurende de zomer en steeds vochtig
houden.
Goed voeden het hele
seizoen door.
Jaarlijks verpotten
met een basis grondmengsel.
Snoei zoals de
Ulmus.

|